Een experimenteel desaster
Toen Leonardo da Vinci in 1495 begon aan Het Laatste Avondmaal in de refter van het klooster Santa Maria delle Grazie in Milaan, weigerde hij de traditionele frescotechniek te gebruiken. Fresco vereist snel werken op nat pleister — en Leonardo wilde nadenken, experimenteren, terugkomen en bijwerken. Dus ontwierp hij zijn eigen techniek: olieverf en tempera op een droge gipsmuur. Het resultaat was schitterend. Maar de verf begon al binnen enkele jaren los te laten van de muur.
De zoektocht naar Judas
Volgens Giorgio Vasari had Leonardo eindeloos moeite met het gezicht van Judas. De prior van het klooster klaagde bij de hertog van Milaan dat Leonardo te langzaam werkte en soms dagenlang naar het schilderij staarde zonder een kwast aan te raken. Leonardo antwoordde dat hij nog steeds op zoek was naar het perfecte gezicht voor de verrader — en dat als de prior bleef klagen, hij diens gezicht maar als model voor Judas zou gebruiken.
Eeuwen van verval
De geschiedenis van het schilderij is een catalogus van rampen. Al in 1556 beschreef Vasari het als 'een vlekkerige vlek'. In 1652 hakten monniken een deur door de onderkant van het werk, waardoor Jezus' voeten verdwenen. Tijdens de Napoleontische oorlogen werd de refter als paardenstal gebruikt. In de Tweede Wereldoorlog werd het gebouw gebombardeerd — het schilderij overleefde alleen omdat het met zandzakken was beschermd.
"Wie niet kan wat hij wil, moet willen wat hij kan."— Leonardo da Vinci
De restauratie
De meest recente restauratie, voltooid in 1999, duurde meer dan twintig jaar. Restauratrice Pinin Brambilla Barcilon verwijderde voorzichtig eeuwen overschilderingen om terug te keren naar wat er nog over was van Leonardo's origineel. Het resultaat onthulde verrassend levendige kleuren en details die generaties lang verborgen waren geweest. Vandaag mogen slechts 25 bezoekers tegelijk het werk bekijken, gedurende precies vijftien minuten — een pelgrimage naar wat nog rest van Leonardo's meest ambitieuze experiment.